Historie van Brunssum

Brunssum is een van de oudste plaatsen in ons land waar mensen zich vestigden. Dat gebeurde in de oertijd, tussen 10.000 en 4.000 jaar voor Christus.

De eerste bewoners, die in het Stenen Tijdperk leefden, kwamen oorspronkelijk uit het gebied van de Donau (vermoedelijk uit het tegenwoordige Hongarije en Oostenrijk). De Brunssummerheide was een gunstige vestigingsplaats. Men vond hier een gedeeltelijk open heide, grotendeels omringd door moerassen. De naaste omgeving was gemakkelijk te overzien, zodat men bij naderend gevaar tijdig was gewaarschuwd.

Omstreeks een halve eeuw voor Christus kwamen de Romeinen naar ons land en bleven er meer dan vier eeuwen. Velen vestigden zich voorgoed in Zuid-Limburg en dus ook in Brunssum. Het waren de Romeinen die ontdekten dat de klei van de Brunssummerheide voor industriële doeleinden geschikt was. Er ontstond een keramische industrie, die tot na de Middeleeuwen is blijven bestaan. De hier gebakken producten werden tot diep in Duitsland en Frankrijk verhandeld. Zo raakten de Brunssummers vroeg vertrouwd met handel en industrie.

De eerste industriële golf

In de 18e eeuw werden de Zuidelijke Nederlanden- en daaronder ook Brunssum - ingelijfd bij Oostenrijk. De Oostenrijkse tijd eindigde met de Franse Revolutie. In die tijd bestond gedurende meer dan een halve eeuw in het Land van Valkenburg een bloeiende industrie en handel onder de naam "Ambacht van den Eijzeren". Brunssum was het centrum van deze typische huisindustrie. De ijzeren gebruiksvoorwerpen werden verkocht in grote delen van Europa, tot in Spanje en Portugal.
Deze ijzerindustrie was van grote betekenis. Op een gegeven moment verschafte de industrie werk aan in totaal 543 arbeidskrachten. In het midden van de achttiende eeuw werd alleen al in Brunssum jaarlijks circa 200.000 pond ijzer verwerkt.
In 1796 was het "Ambacht van den Eijzeren" zo goed als verdwenen. Brunssum had toen 672 inwoners boven de twaalf jaar. Daaronder waren slechts twee smeden en een slotenmaker.

Op 1 oktober 1795 was het Land van Valkenburg als een deel van het departement van de Nedermaas ingelijfd bij de Franse Republiek. Brunssum werd het jaar daarop, op 31 augustus 1796, officieel tot gemeente verheven.

Brunssum in de moderne tijd

Gedurende de gehele 19e eeuw bleef Brunssum een rustig kerkdorp, dat rond 1900 niet meer dan 1200 inwoners telde. In het begin van de twintigste eeuw begon ook voor Brunssum een nieuw industrieel tijdperk. De reeds eeuwenlang in Zuid-Limburg op bescheiden schaal uitgeoefende mijnbouw ontwikkelde zich door de sterk toegenomen vraag naar steenkool snel tot een grootindustrie, waarbij elf moderne mijnzetels ontstonden. In Brunssum kwam de staatsmijn Hendrik. Door de exploitatie van die kolenmijn - van 1918 tot 1966 - ontwikkelde de Brunssumse bevolking zich naar een internationale samenstelling. De mijnen brachten ook welvaart en een stormachtige bevolkingsgroei. In die jaren van industriële voorspoed werden woonwijken uit de grond gestampt en ontwikkelden zich bloeiende winkelstraten.

Begin jaren zeventig sloten de mijnen voorgoed de poorten. Die sluiting leidde tot een totale ontwrichting van de economie. Brunssum, samen met de andere steden in de voormalige mijnstreken, werd geconfronteerd met een groot werkloosheidsprobleem. Er moesten nieuwe banen komen en de regio diende een omslag te maken, van "zwart naar groen". Die omslag lukte. Anno 2001 is de regio waarin Brunssum ligt veranderd  in een groene, parkachtige omgeving die voldoende ruimte biedt voor industrie en dienstverlening. De nieuwe economische aanjagers worden gevormd door (grensoverschrijdende) hightech industrie, gerenommeerde wetenschappelijke opleidingsinstituten en internationale toeristische trekkers.

Sinds 1967 is in Brunssum ook een van de NATO-hoofdkwartieren gevestigd: JFC Headquarters Brunssum (voorheen: AFCENT). In de afgelopen tientallen jaren was Brunssum gastheer voor vele duizenden militairen en hun gezinnen uit vele landen.

Brunssum is inmiddels uitgegroeid tot een kerngezonde gemeente met ongeveer 30.000 inwoners en een verzorgingsgebied (op het gebied van onderwijs, recreatie, cultuur, gezondheidszorg en koophandel) van ruim 60.000 inwoners. In de gemeente zijn tal van scholen gevestigd voor basis-, voortgezet-, middelbaar-, voorbereidend wetenschappelijk-, nijverheids- en bijzonder onderwijs. Ook telt Brunssum een muziekschool en een internationale scholengemeenschap.

Brunssum biedt een prettige woon- en werkomgeving. De bebouwing is ruim, de groenvoorziening royaal, dankzij parken, pleinen en goed onderhouden straten waarvan vele als 30-kilometerzone zijn ingericht. De gemeente kent verder een bloeiend gemeenschapsleven: vele honderden verenigingen zijn hier actief op het gebied van sport en cultuur.

Parkstad Limburg

Brunssum maakt deel uit van Parkstad Limburg. Parkstad Limburg, medio 1999 opgericht, bestaat uit zeven gemeenten in de voormalige Oostelijke Mijnstreek: Brunssum, Heerlen, Kerkrade, Landgraaf, Onderbanken, Simpelveld en Voerendaal. Samen hebben deze gemeenten 260.000 inwoners en daarmee behoort Parkstad Limburg tot een van de dichtstbevolkte gebieden van Nederland. Niettemin kent Parkstad Limburg, naast de stedelijke kernen, ook veel groene zones. Vandaar de naam 'Parkstad'.

Parkstad Limburg wordt ook wel de tweede Randstad genoemd. Deze regio heeft dezelfde kansen, maar ook dezelfde problemen als de grote steden. Vandaar de samenwerking tussen de zeven gemeenten. Door met een gezamenlijke stem te spreken, wil Parkstad Limburg gedaan krijgen dat er in Den Haag, maar ook in Brussel, meer oog is voor de potenties van deze regio.

Het gemeentewapen

Het gemeentewapen van de gemeente BrunssumBrunssum werd op 31 augustus 1796 officieel tot gemeente verheven door de Franse regering. Dat gebeurde nadat op 1 oktober 1795 het Land van Valkenburg als een deel van het departement van de Nedermaas bij de Franse republiek was ingelijfd, tengevolge waarvan het graafschap Amstenrade en Geleen, waartoe Brunssum behoorde, ophield te bestaan, zodat ook de Heerlijkheid en de Bank van Brunssum werden opgeheven. Als gemeentegrens gold de grens van de parochie.
Bijna 100 jaar later, bij Koninklijk besluit van 9 mei 1889, kreeg Brunssum zijn gemeentewapen. Daarin werden opgenomen het beeld van de kerkpatroon St. Gregorius de Grote, als herinnering aan het ontstaan van de gemeente uit de parochie, alsmede het blazoen van de Heren van de Heerlijkheid Brunssum, de Huijn's van Amstenrade.

Het wapen werd als volgt omschreven:

Gedeeld: links in keel (rood) een slangenkruis van zilver met zilveren hartschild, beladen met drie koeken van keel, geplaatst twee en een, zijnde het wapen van Huijn van Amstenrade; rechts in azuur (blauw) het beeld van Paus Gregorius de Grote gekleed in pontificaal ornaat van zilver, hebbende het ilveren pallium, bezet met kruisjes van sabel, en de tiaar van zilver met een kroonreep op het hoofd, waaromheen een nimbus van goud en op de rechterschouder een duif met uitgestrekte vleugels van zilver, bek en poten van keel, het aanzicht en de handen van de heilige zijn van natuurlijke kleur, in de linkerhand houdt hij een bijbel van keel. Het geheel omgeven door het randschrift: Gemeentebestuur van Brunssum.

De naam Brunssum

Brunssum heeft zich als eigen gemeenschap vanaf de Frankische tijd - en wellicht nog vroeger - weten te handhaven tot in zijn officiële benaming toe. Aan de oorsprong van die naam ligt het grondbezit, het heim, het heem nabij de bronnen, waaruit taalkundig Brons-heim, Brunssheim kan zijn ontstaan. Met deze benaming wordt een kern van een nederzetting van mensen aanwijsbaar, die zich hier heem voelden in de zin van plaatselijk gebonden: door alle tijden heen de stuwende dynamiek voor een gemeenschap van mensen wil ze leefbaar blijven.

Derhalve betekent Bronsheim = Brunssheim = een aantrekkelijke streek voor nederzetting zoekende mensen.